mechanieken
Functioneel gezien zijn er twee soorten mechaniek: de speel- en de registermechaniek. Beide zijn meestal van hout, en wel van het fijnjarige, iets lichtere en buigzamere hout van relatief snel gegroeide eiken.
De speelmechaniek overbrugt de afstand tussen klavier en windlade, en vormt in wezen het verlengstuk van de vingers van de bespeler. Het gaat er dus om, door mechanische overbrenging een zo sensibel mogelijk contact te creëren tussen de speler en het pijpwerk. Anders dan wel eens gedacht wordt, is dat niet per se de lichtste speelwijze. Wie, zoals Reil, orgels wil maken waarop organisten hun muzikale bedoelingen optimaal kunnen realiseren, dus orgels die hun bespeler inspireren, zal ook hier veel kennis en vakmanschap moeten inbrengen. Hout is immers gevoelig voor vocht en droogte, en niet slijtvast. Een slecht functionerende speelmechaniek frustreert een goede speler èn een betrokken luisteraar juist daar waar ze elkaar zouden moeten vinden.

De tweede soort mechaniek, de registermechaniek, vormt de verbinding tussen de registerknop en de sleep in de windlade. Er worden hoge eisen gesteld aan het precieze en gelijkmatige functioneren van deze mechaniek. De keuze van de bespeler voor bepaalde registers (registratie) is natuurlijk een elementair onderdeel van de bespeling en beleving van een orgel.

St. Nikolauskirche in Rosenheim, Duitsland




























bedrijfsfilosofie
mechanieken