
Orgelmakerij Reil
bouwt aan klanken
voor generaties
In 1934 richtte Johann Reil de Eerste Nederlandsche Orgelonderdeelen Fabriek (E.N.O.F.) op in Rotterdam. Dit bedrijf ontwikkelde zich in de afgelopen ruim negentig jaar tot een toonaangevende orgelmakerij waar vele grote en kleine orgels zijn gemaakt en gerestaureerd. Van een bedrijf waarin elektro-pneumatiek de standaard was ontwikkelde de orgelmakerij zich tot een firma waarin mechaniek en de orgelbouw van eeuwen terug, steeds meer en in vele vormen, gestalte kreeg.
De bedrijfsgeschiedenis is vastgelegd in meerdere jubileumuitgaven, die desgewenst nog altijd verkrijgbaar zijn.


De geschiedenis van Orgelmakerij Reil

Johann Reil
1907 – 1960
Begon zijn bedrijf in Rotterdam in 1934
Op 6 april 1907 werd Johann (Hans) Reil geboren in München. Als rondreizend orgelmaker werkte hij bij diverse orgelmakerijen in Duitsland, Zwitserland en Nederland, alvorens hij in 1929 werk vond bij een Rotterdamse firma. In 1932 leerde hij zijn latere echtgenote Dien de Brake kennen tijdens werkzaamheden aan het orgel in de Johanneskerk in Heerde. Twee jaar later begon hij in Rotterdam de Eerste Nederlandsche Orgelonderdeelen Fabriek. Omdat de vader van Dien zijn dochter niet naar Rotterdam wilde laten vertrekken, verplaatste Johann zijn fabriek in 1937 naar Heerde.
In Heerde maakte Johann Reil in 1938 zijn eerste ‘eigen’ orgel, bestemd voor de gereformeerde kerk in IJmuiden-Oost. Het ging om een instrument met elektrische tractuur – dat was in de orgelbouw van die jaren naast (elektro-)pneumatiek het meest gangbare systeem. In 1948 bouwde Johann zijn eerste geheel mechanische orgel, voor de gereformeerde kerk in Arnemuiden. Hij deed dit mogelijk ook op zakelijke gronden: de bouw van mechanische orgels was in die tijd een optie naast andere. Dat verklaart bijvoorbeeld ook waarom in de jaren 1937-’48 behalve kerkorgels ook salonorgels en zelfs harmoniums de werkplaats van Reil verlieten.
In de jaren ’50 werd voor veel Nederlandse orgelmakers het mechanische orgel meer en meer de norm. Dat had te maken met nieuwe ideeën uit de Orgelbewegung: orgelmakers wilden orgels maken zoals ze dachten dat oude instrumenten geklonken moesten hebben. Ook Orgelmakerij Reil deed hieraan mee. Voorlopers hierin waren Scandinavische bouwers, met name de Deense firma’s Frobenius en Marcussen. Vooral de laatste zou in Nederland furore maken met o.a. een nieuw orgel in de Utrechtse Nicolaikerk (1957).
Het was voor een Duitse orgelmaker in het Nederland vlak na WOII niet gemakkelijk het hoofd boven water te houden. Daarnaast stond Johann op gespannen voet met de toenmalige advieswereld. Dat kwam door zijn kritische houding op de aanpak van het Rampenfonds, waardoor na 1953 vele orgels onnodig zijn verdwenen. Ook stond Johann met zijn Zuid-Duitse en Zwitserse achtergrond een wat andere klankkleur voor dan in de toen populaire neobarokstijl gangbaar was. Om opdrachten binnen te krijgen werkte hij vaak onder de prijs, en dat betekende hard werken. Met grote wilskracht en ijver wijdde hij zich aan de orgelmakerij, maar op 53-jarige leeftijd overleed hij. Daarbij werd hij omschreven als een kaars die aan twee kanten brandde.

Han Reil
1939 – 2024
Hoge norm voor klank en geluid
Slechts twintig en zeventien jaar oud
Hoewel Johann Reil was overleden, moesten veel opdrachten nog tot een goed eind worden gebracht. Men besloot de zaak nog een half jaar aan te zien. Intussen werd onderzocht hoe het bedrijf in de toekomst voortgezet zou kunnen worden. Besloten werd dat de twee zoons Han en Albert met hun moeder en het personeel het bedrijf voort zouden zetten. Han was twintig, Albert zeventien. Han werd verantwoordelijk voor de klank van ieder orgel, terwijl Albert de verantwoordelijkheid voor ontwerp en techniek op zich nam. Onder hun leiding kwam het bedrijf verder tot bloei.
“De Oude Meesters zijn onze Leermeesters.”
Han Reil

Albert Reil
1943 – 2001
Streven naar perfectie in ontwerp en techniek
In de orgelmakerij werden uitsluitend nog mechanische orgels gemaakt, naar tevredenheid van opdrachtgevers, organisten en publiek. Toch misten ze één ding, merkten de broers Reil al spoedig: een eigen geluid. Hun nieuwe orgels leken vooral op ándere nieuwe orgels, van henzelf en van collega-orgelmakers. En naarmate ze meer betrokken raakten bij restauratiewerk, werd hun ook steeds duidelijker dat die nieuwe orgels lang niet zo goed klonken als de meeste oude. Na het Schnitger-congres dat in 1969 in Groningen werd gehouden besloten de gebroeders Reil het roer om te gooien. Ze gingen zich voortaan oriënteren op de grote namen uit de bloeitijd van de orgelbouw van de zestiende tot de achttiende eeuw, om te beginnen Nederlandse en Duitse orgelmakers.
Mede dankzij de kennismaking met organist en orgeladviseur Klaas Bolt (1927-1990) kwamen ze er ook achter waaróm oude orgels vaak beter klonken dan de nieuwe. Het eerste Reil-orgel dat vanuit een wezenlijk ander concept tot stand kwam, werd in 1970 onder advies van Klaas Bolt gebouwd voor de Ontmoetingskerk in Dieren. Het trok sterk de aandacht en maakte veel reacties los, positief én negatief. Een echte doorbraak was het besluit om voor een nieuw te bouwen orgel in de Prinses Julianakerk in Scheveningen een historisch instrument te kopiëren. De keuze viel op het Schnitger-orgel van de Jacobikerk in Uithuizen; de kopie werd opgeleverd in 1973. De volgende kopie (eveneens onder advies van Klaas Bolt) werd gerealiseerd in de Immanuëlkerk in Ermelo, het voorbeeld was ditmaal het Steevens-Hinsz-orgel uit het Friese Tzum. Het werd unaniem geprezen als een instrument van uitzonderlijke kwaliteit. Het ‘voorbeeldorgel’ in Tzum werd vier jaar later door de firma Reil gerestaureerd. De ervaring van zowel het kopiëren als het restaureren leidde tot steeds meer begrip van het werk van de oude meesters – van kopieren naar kapieren (begrijpen).
In hun zoektocht naar de mooiste klank en de beste mechaniek waren Han en Albert niet vreemd van zelfvertrouwen en durf. ‘De mooiste bloemen groeien op de rand van het ravijn’, zei Han en daarom ging hij bij de intonatie van zijn orgelpijpen door waar anderen stopten. De broers hadden de overtuiging dat ieder onderdeel van het orgel medebepalend was voor de klank en handelden daar ook naar bij de vervaardiging van pijpen, windvoorzieningen, mechaniek en orgelkas. Het resultaat van die benadering was dat voor het maken en restaureren van orgels slechts natuurlijke materialen werden gebruikt. Kunststoffen waren uit den boze en metalen onderdelen werden zoveel mogelijk vermeden – ook al zorgde dat voor extra uitdagingen met moderne kerkverwarmingen. Met hun keuze legden zij zich beperkingen op met betrekking tot materiaal en techniek. Ze zochten binnen die beperkingen de grenzen van het mogelijke op.
Alle onderdelen van een orgel moesten volgens de broers in de juiste, harmonische verhouding tot elkaar gebracht worden om te komen tot de juiste klank. Daarbij waren proportieleer en getallensymboliek van belang. Bij het frontontwerp van een nieuw orgel moest niet alleen rekening gehouden worden met (de akoestiek van) de ruimte waar het orgel kwam. Ook het beoogde klankbeeld moest in het front zichtbaar worden gemaakt en intonatie begon daarmee al bij het frontontwerp. Vervolgens moesten ook dispositie, de cancelgrootte, de windcalculatie, het mechaniek, de kas en zelfs de ornamentiek hiermee in de juiste verhouding worden gebracht. Samenhang betekende volgens Han en Albert geen karakterloze perfectie. Oude meesters hadden binnen de klankenreeksen bepaalde ongelijkheden die juist het karakteristieke van hun werk uitmaakten. Kunst was om deze variabelen op te zoeken en ook toe te passen. Dit om te komen tot een natuurlijke en levendige muzikale klank!
Er is maar een smal pad dat leidt tot beoogde klankresultaten. Maar hoe zag het perfecte orgel er volgens de broers dan uit? Van groot belang vonden ze dat er bij zo’n orgel innig contact moest zijn tussen organist en orgelpijp. Organisten moesten kunnen spelen met een mechaniek die uitging van een uitgesproken natuurlijke weerstand, waarmee ze de windstroom veel meer ‘in de vingers’ kregen. Zo gingen Han en Albert terug naar de essentie van wat een orgel is: als het verlengde van de organist waarmee hij zijn emoties op de meest ideale manier in muziek om kan zetten. Daarbij moest een orgel klinken in de ruimte waar het stond, maar – zeker bij een slechte akoestiek – zelf ook staan als een huis.
In hun focus op het repliceren van oude orgels en het doorgronden van de kennis van de oude meesters behoorde Orgelmakerij Reil tot de voortrekkers in Nederland. Reil-orgels onderscheidden zich daardoor duidelijk van andere orgels. Om hun kennis op peil te houden organiseerden Han en Albert jaarlijks studiereizen naar binnen- en buitenland. De gebroeders toonden hun durf in het werk over de grens. Heel Heerde keek mee toen aan de Soerelseweg orgels voor Japan, Australië en Nieuw-Zeeland gemaakt werden. Voor de gelegenheid werden zelfs dia-avonden gehouden, waarop de orgelmakers vertelden over hun avonturen in het verre Oosten. Hoewel de focus lag op originele materialen en traditionele werkwijzen, hoorde de firma Reil toch tot de eerste Nederlandse orgelmakerijen waar werktekeningen en berekeningen op de computer gemaakt werden.
Onder de orgels die gerestaureerd en nieuw gemaakt zijn onder de leiding van Han en Albert Reil zijn de volgende orgels van opvallend belang (op chronologische volgorde):
Scheveningen Prinses Julianakerk (nieuw orgel, 1973) – Tokyo College of Music (nieuw orgel, 1979) – Ermelo Immanuëlkerk (nieuw orgel, 1981) – Schlägl Klosterkirche (restauratie, 1990) – Stavanger Domkirke (nieuw orgel, 1992) – Zutphen Walburgkerk (restauratie, 1994) – Epe Grote Kerk (restauratie, 1994) – Kampen Bovenkerk (nieuw koororgel, 1999).
“Eenvoud in samenhang is het kenmerk van het ware.”
Albert Reil
De derde generatie:
Hans Reil
Hans Reil, zoon van Han, is tussen de orgels opgegroeid. Het vroegere bedrijfspand stond direct achter het ouderlijk huis. Na zijn studie werktuigbouwkunde aan de universiteit in Enschede kwam hij in 1993 in vaste dienst. In 1994 verhuisde de firma naar het huidige pand aan de Postweg in Heerde. Op 16 december 2001 overleed Albert. Eerder dat jaar nam Hans het bestuur van het bedrijf over, waarbij Han tot zijn overlijden op 4 februari 2024 met raad en daad betrokken bleef. Onder de leiding van Hans groeide het bedrijf tot wat het nu is: een voor orgelbouwbegrippen groot bedrijf met een goede organisatie, dat tegelijkertijd klein en intiem aanvoelt en waar bezoekers zich welkom weten. Orgelmatig groeide het bedrijf – zonder zijn wortels te verloochenen! – naar orgeltypen waarmee ook een breder muziekrepertoire tot zijn recht kan komen.


Een groots bedrijf dat klein aanvoelt

Sterke karakters die kunnen samenwerken
Een groots bedrijf...
In de jaren dat Hans de leiding had, groeide de orgelmakerij uit tot een groot én wendbaar bedrijf, met professionele standaarden op het gebied van betrouwbaarheid en kwaliteit. Dit leidde dan ook tot verschillende opdrachten in het buitenland, voor nu culminerend in het werk voor de kathedraal van Mallorca.
Vanuit onze bedrijfsgeschiedenis, maar nu nog altijd, vinden we het van groot belang dat onze klanten op ons kunnen rekenen en dat we betrokken met de klant meedenken.
...dat klein aanvoelt
Hoewel de orgelmakerij binnen de branche groot is te noemen, is het toch een bedrijf dat klein genoeg is zodat de lijntjes kort zijn. We kennen onze klanten. In het team zijn we enthousiast en met gepaste trots over de orgels die we maken, ook naar anderen om ons heen. In ons dorp spreekt men over het behartigen van werk; we werken met grote betrokkenheid. Daarom laten we graag zien waar we mee bezig zijn, met open dagen (wanneer orgels in de werkplaats zijn opgebouwd) en rondleidingen op aanvraag.
Traditie in beweging
Ook in klank- en stijltechnisch opzicht heeft het bedrijf een ontwikkeling doorgemaakt. Hoewel in de jaren ’70-’90 een sterke nadruk lag op orgels waarop vooral barokmuziek tot zijn recht kwam, zijn de laatste decennia ook orgels gemaakt die breder georiënteerd zijn: hierop komen ook latere muziekstijlen tot hun recht. “Sterke karakters die kunnen samenwerken” is hierin een belangrijk uitgangspunt. We maken orgels met registers die op zichzelf sterk staan, maar ook onderling kunnen mengen en daarbij voor verrassende klankbeelden zorgen. Een voorbeeld daarvan is het orgel voor de Luisenkirche in Berlijn-Charlottenburg (2024). Hier werd kennis toegepast die was opgedaan bij de reconstructie van het Wiegleb-orgel in Ansbach. Daarvoor werden strijkers vervaardigd van 2- tot 16-voetslengte. In onze nieuwe orgels komt tegenwoordig vaker een zwelwerk voor. In Ansbach was hier al in 1739 sprake van, maar we hadden er ook mee te maken bij opvallende restauraties zoals van het Kam-orgel in de Grote Kerk van Dordrecht (1859). Daar waar het passend is in een kerkmuzikale praktijk passen we het steeds vaker toe. Mooie voorbeelden zijn te vinden in diverse kerkorgels Noorwegen (Søndeled 2020; Larvik Tanum 2022) maar ook in een recent huisorgel in Japan. Naast deze ontwikkelingen staan we nog volop in onze bedrijfstraditie van het navolgen van meesters uit de orgelbarok. Zo rondden we in 2025 de reconstructie af van al het Schnitger-pijpwerk in Harkstede, dat nu klinkt zoals dat in 1694 geklonken moet hebben. Bij het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden en restauraties van orgels uit ons eigen bedrijfsverleden, gaan we verder op de weg die Han en Albert destijds zijn ingeslagen.

