
Pijpenmakerij en intonatie
Orgelpijpen maken wij zelf in onze pijpenmakerij. We beginnen met ruwe materialen: blokken lood en tin. We smelten deze blokken voor de legering die we nodig hebben, bijvoorbeeld 80% tin en 20% lood. Hiervan gieten wij platen orgelmetaal waaruit we de pijpen vervaardigen. Onze pijpenmakers en intonateurs werken hierbij nauw samen in het ontwerpen en maken van registers. Daarvoor is kennis van klank van belang, maar bijvoorbeeld ook veel wiskunde.


Het hele proces in eigen handen

Gieten en draaien
Voor het gieten van verschillende soorten orgelmetaal hebben we twee giettafels tot onze beschikking. Meestal gieten we op een tafel van speksteen, overspannen met linnen. Om de gegoten platen op dikte te maken, draaien we ze veelal af op onze draaitrommel, waarmee we de materiaaldikte op tienden millimeters precies kunnen meten. Wanneer we reconstructies maken van historisch pijpwerk gebruiken we zo nodig een giettafel met een zandbed. Hierop gieten we platen zoveel mogelijk op de uiteindelijke dikte. We werken deze platen met een handschaaf verder af, zoals dat honderden jaren geleden gebeurde. Een speciale techniek is het hameren van orgelmetaal: platen worden dan niet op dikte geschaafd, maar gehamerd. Naast platen orgelmetaal gieten we ook koppen voor tongwerken, kernmateriaal en zelfs onze eigen soldeerstaven.






Van mensuurtabel tot orgelpijp
Voor we orgelpijpen kunnen maken, moet eerst het klankbeeld van het nieuwe register helder zijn: intonatie begint al bij het ontwerp van de pijpen. Met de beoogde klank in het achterhoofd worden de mensuren berekend: hoe verhouden de lengte, de diameter en de materiaaldikte van de pijp zich tot elkaar? En als we dat van één pijp weten, wat zijn dan de maten van de tientallen unieke andere pijpen in het register? Als de mensuren duidelijk zijn, worden de pijpen uitgesneden, geverfd, rond geklopt en gesoldeerd. Dit moet op tienden van millimeters nauwkeurig gebeuren om de juiste gewenste klank te kunnen waarborgen.
Labiaalpijpen en tongwerken
Wij maken labiaalpijpen en tongwerken. Bij labiaalpijpen wordt wind door de voet door de kernspleet (langs het onderlabium en de kern) tegen het bovenlabium geblazen. De wervelingen die ontstaan bij het splijten van de windstroom op de scherpe rand van het bovenlabium geven de klank, die vervolgens verder resoneert in het corpus. Die moet daarvoor wel de juiste lengte, diameter en materiaaldikte hebben. Bij tongwerken ontstaat de klank doordat orgelwind langs een veerkrachtig plaatje van messing – een zogenaamde tong – wordt geblazen, die tegen de zogenaamde keel aan trilt. De ontstane klank resoneert in de beker, die ook weer de juiste verhoudingen moet hebben om het gewenste resultaat te bereiken.







Afwerking
Als de pijpen in elkaar gesoldeerd zijn, worden zij grondig gereinigd en – afhankelijk van de legering – gebeugeld of gepoetst. Zo krijgen de pijpen hun kenmerkende glans. Ook het vergulden van labia of het aanbrengen van tinfolie wordt in onze pijpenmakerij gedaan. Om pijpen netjes te houden, gebruiken wij zoveel mogelijk handschoenen.
Intonatie
In de intonatieruimte worden individuele pijpen samengesmeed tot een register met een eigen karakter. Pijpen die de pijpenmakerij verlaten, worden er eerst op klank gebracht. Belangrijk daarbij is dat de opsnede (de afstand tussen onder- en bovenlabium) op de juiste hoogte wordt gebracht. Ook wordt de kern iets omhoog of naar beneden gebracht waarmee de windstrook in de goede richting wordt gestuurd. Om dezelfde reden wordt de kernspleet iets wijder of nauwer gemaakt. Zo nodig en gewenst kunnen kernsteken worden gezet. Verder wordt de voetopening groter of juist kleiner gemaakt om de aanvoer van wind te reguleren. De pijp wordt ingekort tot de benodigde lengte. Bij dit alles worden de pijpen steeds ingepast in het klankbeeld van het gehele register.






