
Uitgelichte projecten
Door de eeuwen heen is er veel ontwikkeling geweest in de visie op orgels en de manier waarop deze gemaakt zijn. Als orgelmakerij hebben we veel historische orgels uit verschillende stadia van deze ontwikkeling mogen restaureren, reconstrueren en namaken. Een min of meer representatieve selectie van deze orgels is hieronder uitgelicht.


Elk orgel heeft haar eigen verhaal
Nederlands oudste bewaard gebleven orgel is in 1479 door Peter Gerritsz gemaakt voor de Nicolaikerk in Utrecht. Na enige aanpassingen in de zestiende en zeventiende eeuw is dit gotische orgel verder origineel overgeleverd: een unicum! In onze orgelmakerij zijn alle onderdelen van dit orgel minutieus onderzocht en nagemeten. Aan de hand van deze gegevens en uitgebreid aanvullend archiefonderzoek maakten wij in 2012 op uitnodiging een studiekopie van het orgel zoals het in 1479 gemaakt is. Hierbij maakten wij gebruik van de oude handwerktechnieken die passend zijn bij een dergelijk orgel. De studiekopie (het “Van Straten-orgel”) vond een plaats in het Orgelpark in Amsterdam.
Voor onze orgelmakerij kreeg het project al snel (2015) een vervolg in Oostenrijk. Voor de Klosterkirche Pulgarn initieerde organist en orgeladviseur Rupert G. Frieberger (1951-2016) de bouw van een gotisch orgel waarmee oude muziek bestudeerd én uitgevoerd kon worden. Uitgangspunt was een laatgotisch orgelconcept, met o.a. een windladeconstructie gebaseerd op ‘bovenslepen’ zoals aan het eind van de vijftiende en begin zestiende eeuw gangbaar was. Aan het plan werden een pedaalstem en een Regaal toegevoegd, waarmee het instrument een klassieke vorm kreeg en de historische klankopvatting werd onderstreept. De orgelkast is een synthese van Europese late gotische stijl: het front met spiegelvelden en stijgende labiumlijnen is Nederlands, de blinderingen en bekroningen Italiaans (Bologna) en het snijwerk voor het borstwerk Oostenrijks. Links van het orgel bevinden zich drie handbediende smidsbalgen, geïnspireerd door de iconografie uit werken van Arnolt Schlick (1511) en Michael Praetorius (1619). Daarmee is het windsysteem authentiek van opzet.

Tussen 1989 en 1994 hebben we een tweetal restauraties uitgevoerd aan orgels uit de eerste helft van de zeventiende eeuw: het Putz-orgel (1634) van de Stiftskirche Schlägl en het Bader/Timpe-orgel (1643) van de Walburgkerk in Zutphen. In beide gevallen is in overleg met betrokkenen tot een restauratieconcept gekomen die in beide gevallen uitging van een gegroeide toestand. In Schlagl is de vastomlijnde toestand van Johann Christoph Egedacher (1708) gekozen. Voor Zutphen was dit een gegroeide toestand naar Timpe (1815). Vervolgens liepen de wegen tussen beide restauraties uiteen.
In Schlägl was een duidelijk concept waar naartoe gewerkt werd – de toestand van het orgel waarin het in 1708 na een grote brand weer was opgebouwd door Egedacher. Balgen, windkanalen, windladen, trakturen en pijpwerk werden naar dit concept nieuw vervaardigd of teruggebracht. Op basis van origineel pijpwerk werd besloten een ongelijkzwevende stemming aan te brengen. Voor deze restauratie waren veel gegevens benodigd die enerzijds verkregen werden door onderzoek naar vergelijkbare orgels in de ruime omgeving van Schläg, en anderzijds door nauwkeurig te kijken naar aanwijzingen in de orgelonderdelen zelf. Daarbij zijn we alleen bij voldoende gegevens tot actie overgegaan. Dit betekende dat twee onderdelen die het orgelconcept zeker bezeten heeft – een dieper gestemde borstwerk voor de continuo-functie en orgelluiken – niet zijn terug gerestaureerd.
Het Bader/Timpe-orgel was een ander verhaal. Zo waren de plaats van het orgel in de kerk en daarmee ook de opstelling definitief gewijzigd. Teruggang naar de gegroeide situatie van Timpe (1815) zou ook nadelige gevolgen hebben voor een duurzaam goede speel- en klankaard van het orgel. Bij teruggang naar deze situatie werd dan ook passend geacht als enige correcties plaats zouden hebben op het werk van Timpe. Uitgangspunt was dat sowieso geen Bader-materiaal verloren mocht gaan, zodat in de toekomst eventueel gekozen zou kunnen worden voor een totale restauratie naar de situatie Bader (1643). Om te komen tot een betere klankuitstraling is het meubel ondieper gemaakt, waarbij de situatie Timpe behouden is gebleven. Het pijpwerk van Bader is grotendeels opgesteld op de hoofd- en rugwerklade, op de bovenwerklade is pijpwerk van Timpe geplaatst en het pedaal heeft pijpwerk van beiden. Waar nodig is, na uitgebreid pijponderzoek, pijpwerk bijgemaakt in passende makelij en mensuren naar voorbeeld van Bader en Timpe. Tevens zijn alle laden gerestaureerd en zijn voor het hoofdwerk een tweetal nieuwe laden vervaardigd. Ook de klaviatuur en het mechaniek zijn bij deze restauratie in een passende stijl bijgemaakt.

Tot de belangrijkste ‘Oude Meesters die onze Leermeesters zijn’, horen Arp Schnitger (1648-1719) en Albertus Anthoni Hinsz (1704-1785). Van de barokke orgels die zij maakten zijn dat van de Aa-kerk in Groningen (Schnitger, 1702) en de Petruskerk in Leens (Hinsz, 1733) typische voorbeelden, die respectievelijk in 2011 en 2021 door ons gerestaureerd zijn. Beide orgels zorgden voor hun eigen uitdagingen.
Zo was in Groningen de winddruk een aangelegen thema. Het orgel bevatte immers niet alleen pijpwerk van Schnitger, maar ook van Johannes Wilhelmus Timpe (uit 1830) en Petrus van Deckelen (uit 1858), die door de tijd heen verschillend van elkaar geïntoneerd waren. Tijdens verschillende luistersessies werden verschillende winddrukken geprobeerd, waarbij de keuze uiteindelijk verfijnd werd tot 82,4mm waterkolom. Het windladeherstel in Groningen mag zowel interessant als exemplarisch worden genoemd: In de jaren 1990 was het orgel gerestaureerd, waarbij onvoldoende rekening was gehouden met klimatologische omstandigheden, waardoor materialen krimpen of uitzetten. Registermechanieken zijn hier gevoelig voor en kunnen gaan lekken of juist vastlopen. Bij de restauratie in 2011 is daarom gekozen voor een oplossing die geldt als ‘voortschrijdend inzicht’: het aanbrengen van dunne viltringen als ‘klimaatbuffers’. Ook het mechaniek is gerestaureerd, waarbij ingezet werd op zowel degelijkheid en duurzaamheid van materialen als op een goede speelaard.
Het orgel in Leens was Hinsz tweede orgel. Het gold als standaard voor veel andere Hinsz-orgels, zoals bijvoorbeeld Hinsz’ laatste orgel in Uithuizermeeden (1785), dat wij even voor dat van Leens gerestaureerd hebben. Daardoor merkten we verschil: het orgel van Leens kent in aanleg een sierlijke eenvoud, terwijl dat in Uithuizermeeden verfijnder en ‘doordachter’ is – wat gezien Hinsz ervaring niet verwonderlijk is. Bij de Leense restauratie hebben we de historische windvoorziening en windkanalisatie hersteld. De magazijnbalg uit 1922 heeft plaatsgemaakt voor een nieuwe balgenstoel met vijf spaanbalgen, zoals origineel door Hinsz bedacht. Ook de windladen zijn minutieus aangepakt.
Zo waren de originele stokschroeven van Hinsz gecorrodeerd en afgebroken, waarna latere orgelmakers stokschroeven op alternatieve plekken maakten. Wij hebben de schroefresten van Hinsz met zorg verwijderd en op die plaatsen weer goede stokschroeven teruggeplaatst. Bij de windladerestauratie werd duidelijk dat Hinsz al intoneerde bij het maken van de stokboringen: deze zijn aan de onderzijde groter dan bovenaan, zodat de juiste berekende hoeveelheid wind naar de pijp liep. Op aanwijzingen in het materiaal zijn de middenstiften van de klaviatuur vervangen door zijstiften, zoals dat origineel door Hinsz gemaakt was. Ook op het gebied van klank hebben we gezocht naar Hinsz: de kernspleten konden worden teruggebracht naar de originele stand, en de kernen (waarin rond 1920 kernsteken gezet waren) konden gelukkig worden teruggebracht in originele staat. Hierdoor is de oude klankvoering weer naar voren gekomen.

Toen het ambitieuze Wiegleb-orgel in de Sankt-Gumbertuskirche in Ansbach in 1739 werd opgeleverd, bevatte het een voor die tijd ongehoord fenomeen: verschillende 8-voetsregisters die allen samen konden klinken. Barokpijpwerk heeft de eigenschap dat het bijzonder boventoonrijk is en het is niet eenvoudig verschillende registers harmonieus samen te laten klinken. Wiegleb kon dat wel en vervulde daardoor zijn tijdgenoten met verbazing en bewondering.
Het orgel werd na de restauratie van de oude Gumbertuskerk door Johann Christoph Wiegleb (1690-1747) gemaakt in plaats van een eerder orgel. Wiegleb kwam uit Thüringen, en het nieuwe orgel stond dan ook in een Thüringer orgelmakerstraditie. Tot in de negentiende eeuw bleef het orgel, een drieklaviers instrument met 47 stemmen, praktisch ongewijzigd. Daarna werd het ingrijpend gewijzigd, totdat uiteindelijk maar 18 oude registers overbleven. In 1961 gingen ook deze registers verloren bij een reconstructie ‘im Sinne des Baugedankens der alten Orgel”…
In 2004-2007 hebben wij het orgel mogen reconstrueren. Hoewel voorgaande restauraties ingrijpend waren en veel verloren is gegaan, bleven ook veel aanwijzingen over om ons de richting te wijzen waarin het orgel vormgegeven moest worden. Aan de hand van een kleine 500 teruggevonden Wiegleb-pijpen en uitgebreid onderzoek is het orgel gereconstrueerd. Onder advies van Christoph Reinhold Morath werd een grotendeels nieuw binnenwerk gemaakt met 47 registers met in totaal 3192 pijpen.
Een tweetal bijzonderheden mogen niet onvermeld blijven: de 32-voet en het zwelwerk. In het onderzoek troffen we de zinsnede ‘Subbas offen aus Holz 32′ aan. Lang is getwijfeld of deze beschrijving wel op waarheid berustte, maar sporen in het orgel bevestigden dat er daadwerkelijk voorzien was in de aanleg van een 32-voetsregister. We hebben dan ook een ongedekte Subbas 32’ teruggebouwd, waarbij de grootste pijp 9,30 meter lang was! Eenmaal gerealiseerd geeft dit register het orgel een orkestraal fundament met een grandioze werking.
Het barokorgel beschikte tevens over een zwelwerk. Zwelwerken zijn kenmerkend voor orgels vanaf de negentiende eeuw en vielen traditioneel niet onder het soort orgels dat wij maakten. Het Wiegleb-orgel bracht hier verandering in. In verschillende nieuwbouwprojecten hebben wij naar voorbeeld van dit orgel zwelwerken toegepast.
Om net als Wiegleb destijds de 8-voetsregisters harmonieus samen te laten klinken, werd het uiterste gevergd van de intonateur. Het bereikte resultaat mag een unieke sleutel genoemd worden voor het begrijpen van de klankesthetiek van Johann Sebastian Bach. Over de restauratie is destijds een Festschrift opgesteld, waarin orgeladviseur Morath in twee zinnen de klankenwereld van het Wiegleb-orgel als volgt omschrijft: “In geradezu genialer Weise verbindet Wiegleb das nicht aufgegebene, aber etwa im Mittelwerk eigenständig interpreterte Werkprinzip mit seiner grundsätzlichen unterscheidung von abgeschlossenen Werken und Funktionen mit einen Individualprinzip, das jedes von seinem Charakter her mögliche Register grundsätzlich der Klangsynthese mit anderen freigibt. Plena, Flöten- und Streicherregistrierungen im klassischen Sinne sind vielfältig möglich, und doch lädt diese Orgel in unvergleichlicher Weise dazu ein, die Kraftwerte und die Farbwerte, die sie besitzt, durch die Moglichkeit der Addition zu mischen und das Ergebnis mit Gehor und Geschmack kritisch zu kontrollieren.”

Christian Vater, afkomstig uit Hannover, voltooide het orgel in 1726. Korte tijd later begon de kerktoren te verzakken. Omvangrijke herstellingen hieraan maakte demontage van het nieuwe orgel noodzakelijk. De herbouw van het orgel werd in 1742 opgeleverd door Johann Caspar Müller. Bij deze gelegenheid werd het orgel aangepast en vergroot van 46 naar 54 registers. Conform de opvattingen van zijn tijd bracht C.G.F. Witte in 1870 wijzigingen aan. Het voor velen nog zo herkenbare klankbeeld is voor een deel in die tijd ontstaan. Een herkenbaarheid die vanaf ongeveer halverwege de vorige eeuw ook ontstond door de bespelingen van Feike Asma en Piet van Egmond.
Het orgel van de Oude Kerk kan worden beschouwd als een synthese van Hollandse en Duitse tradities: een Duitse orgelmaker in de Hollandse orgeltuin. Van dit grote Nederlandse stadsorgel is nog bijzonder veel bewaard gebleven. Kas, blagen, laden, mechanieken en het grootste deel van het pijpwerk dateren grotendeels nog uit de achttiende eeuw. Bovendien heeft de Oude Kerk dankzij behoedzame restauraties in de twintigste eeuw zijn oorspronkelijke akoestiek behouden.
Uitgangspunten voor de restauratie waren: klankherstel uitgaande van de gegroeide toestand, substantiële verbetering van de bespeelbaarheid en voltooiing van de restauratie van de kas.
Velen hebben in de afgelopen jaren de werkzaamheden gevolgd via onder andere de vlogs op www.orgelnieuws.nl/. Nadat in november 2015 het contract werd getekend, kon na diverse fasen van werk op 11 en 12 mei 2019 het Vader/Müller-orgel weer in gebruik worden genomen.

Dit orgel uit 1839 is het Magnum Opus van de tot dan toe relatief onbekende Johann Heinrich Holtgräve. Bij de bouw ervan is gebruikgemaakt van pijpwerk uit het oude orgel van de Lebuinuskerk, waarvan een deel misschien zelfs Bader- en/of Schnitger-pijpwerk was. Het orgel heeft haar statuur als Deventer stadsorgel, zeker ook in relatie tot de imposante grootte van de kerk. Nadat diverse orgelmakers in de afgelopen eeuwen verschillende werkzaamheden aan het orgel hadden gedaan (vernieuwingen en restauraties) bleek in de jaren 2010 een integrale restauratie benodigd. Opdracht daarvoor werd in 2014 verleend.
leder (historisch) orgel is uniek, en dat maakt het complex en uitdagend om een goed restauratieplan op te stellen. In Deventer zijn we de restauratie daarom begonnen met een fase 1. Daarin hebben we de grootste problemen direct aangepakt, zoals bijvoorbeeld de slecht aansprekende frontpijpen, die – zo bleek – te weinig wind kregen. Belangrijker was echter een grondige inventarisatie van de staat van het orgel en proefnemingen om nader te bepalen hoe het klanktechnisch herstel uitgevoerd zou moeten worden. De daarop aansluitende fase 2 voorzag in de restauratie en nodige herintonatie van het pijpwerk, waarbij ook de windladen onder handen genomen werden. Zo werd het in 1954 toegepaste VEKA-systeem (verende kantsleep) weer vervangen door traditionele registerslepen zoals die ook door Holtgräve waren gebruikt.
Opvolgend aan fase 2 werd, in samenspraak met adviseur Gerrit Hoving, een derde fase beschreven waarin het orgel technisch zou worden hersteld, zodat het orgel de komende decennia weer in optimale conditie zou zijn. Deze fase 3 was uiteindelijk het meest intensieve restauratiedeel en het antwoord op het onderzoek uit de eerdere twee fasen. Zo werden de mechanieken geheel nagezien en afgeregeld, wat de zware en taaie speelaard van voor die tijd aanmerkelijk verbeterde. Ook de balgen werden intensief gerestaureerd, waarbij toegewerkt werd naar de nu bestaande situatie dat de balgen getreden kunnen worden. En last but not least werden technische gebreken in de orgelkas en ornamentiek geheel nagezien en gerestaureerd, terwijl intussen de schilder het orgel opnieuw heeft geschilderd. Aan het restauratieplan lag geen strak gedefinieerd concept ten grondslag: Materiaal dat bij restauraties in de jaren 1950 en 1970 aan het orgel is toegevoegd, is waar bruikbaar, weer in het orgel ingepast. Indien nieuw materiaal bijgemaakt moest worden, is dit gedaan in stijl van het oorspronkelijke Holtgräve-orgel. De restauratie was daarmee een goed gedocumenteerde en afgewogen optimalisatie van de historisch gegroeide toestand.

Waar de voorgaande uitgelichte orgels allemaal historische orgels uit verschillende tijdvakken betreffen, dateren de instrumenten die hier besproken worden uit de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw. Het zijn voorbeelden van orgels die door de gebroeders Reil gemaakt zijn om te leren van de Oude Meesters. Het allereerste voorbeeld van zo’n kopie-orgel is gemaakt voor de Prinses Julianakerk in Scheveningen (1973), naar voorbeeld van het Schnitger-orgel uit Uithuizen (1701). Tokyo en Ermelo zijn te zien als wel bestudeerde vervolgstappen op dit pad van kopieren naar kapieren.
Het orgel in Tokyo is in 1979 gemaakt voor het Tokyo Music College. Voorbeeld was het Bielfeldt-orgel (1734) in Osterholz-Scharmbeck (Duitsland). Voor Japanse organisten was het doel dat zij een goed studie-orgel zouden hebben waarin ze de klankenwereld zouden kunnen oproepen waarin Barok-muziek goed tot zijn recht zou komen. Een goede toevoeging daaraan vormde een rugwerk, dat niet op het originele orgel aanwezig was, maar hierbij toch werd geconstrueerd. Het was het eerste orgel dat door de firma in Japan werd geplaatst. Zoals dat nu nog gebruikelijk is, werd het eerst in de werkplaats opgebouwd, waarna het in delen per boot en vliegtuig naar Japan werd getransporteerd.
Daar waren afwisselend Albert en Han aanwezig om het orgel op te bouwen en te intoneren. Tijdens het uitladen van de orgelpijpen met een heftruck door het transportbedrijf werd een aantal pijpen ernstig beschadigd. Door een misvatting werden de lepels van de heftruck door de handgaten in de pijpenkisten gestoken en doorboorden daarbij het zorgvuldig verpakte pijpwerk… Albert was genoodzaakt het nodige gereedschap en materiaal bij elkaar te verzamelen en deze pijpen helemaal opnieuw te vormen. Terwijl hij daarmee bezig was, sloten Japanners weddenschappen af over de vraag of het hem zou lukken. De afloop was, dat de winnaar Albert op een heerlijk Japans maal trakteerde!
Het orgel in Ermelo (Immanuëlkerk, 1981) werd gemaakt naar voorbeeld van het Stevens/Hinsz-orgel in Tzum (1764). Ook hier is geen slaafse kopie gemaakt, maar het orgel uitgebreid met een vrij pedaal. Door meer inzicht, kennis en ervaring kon hier een juiste samenhang tussen alle delen verwerkelijkt worden, tot in de cancelverhoudingen toe. Bijzonder is, dat even na de oplevering van het orgel opdracht werd gegeven voor de restauratie van het voorbeeldorgel in Tzum.

Zowel bij het maken van een nieuw orgel als bij restauraties en groot onderhoud is samenwerking van groot belang. Om tot een gedacht resultaat te komen werken wij samen met architecten, constructeurs, schilders, elektriciens, commissies enzovoorts. Zo hebben wij in het Zuid-Duitse Rosenheim een orgel gerealiseerd met klassieke verhoudingen in een eigentijdse vormgeving, zoals passend bij de kerkruimte en het barokke klankkarakter van het instrument. Tijdens het proces was er interactie tussen de bouw van het orgel en de herinrichting van de kerkruimte. Hierbij is bijvoorbeeld de akoestiek van de kerk beoordeeld, waarop de mensuren en de legeringen van het pijpwerk zijn aangepast. Voor de afstemming met diverse partijen is gebruik gemaakt van maquettes en proefpanelen. Op basis hiervan kon de keuze worden gemaakt voor een transparante witte kleurlaag, die een vergelijkbare werking laat zien met een parel.
Rosenheim markeert voor ons bedrijf het rondmaken van de cirkel. Wat zou het bijzonder zijn geweest als de uit München afkomstige Johann Reil dit nog had meegemaakt: een nieuw Reil-orgel in het Beierse Rosenheim.

























